Emiel Andelhof en
Paul De Keyser,
Oostvlaamsche Zanten 10e jrg nr 4, 1935

Vóór eenige jaren was zekere Firma J. Kieckepoost de eenige aanneemster der begrafenissen hier ter stede. Wij herinneren ons nog zeer goed dat men toen zei, sprekende van iemand die den geest had gegeven, « hij - of zij - is bij kiekepoot », om er op te wijzen dat die persoon gestorven was. Wij meenen dat deze spreekwijze nog in den mond van het volk leeft.
J. Kieckepoost had, schreef Hendrik Keurvels, eene voorliefde voor het maken van ontwerpen waaronder er waren die de aandacht troffen van de hooge besturen en zelfs door hen later verwezenlijkt werden. Zoo onder andere, de verbinding tusschen het Sluizeken en de Kromme Wal - zijnde de tegenwoordige Sluizenstraat en Sluizenbrug, alsook deze tusschen de St. Jacobsnieuwstraat en het Hooie, gelegen in de Tweebruggenstraat, zijnde de Keizer Karelstraat en het Van Arteveldeplein - zijn twee ontwerpen van wijlen J. Kieckepoost, dagteekenend van 1837.
Tusschen haakjes gezegd, men zou wel mogen den naam van J. Kieckepoost herinneren door dien te geven, bij voorbeeld, aan de Sluizenstraat.
Een derde verbinding - die wel een zeer prachtige mag heeten - is de dreef loopend door de meerschen, van den Drongensteenweg tot de Drongenbrug. Deze dreef is ongeveer negentig jaren oud. Zij doet het voertuigverkeer veel tijd winnen daar de geleiders anderszins, zooals eertijds, langs Mariakerke rond zouden moeten rijden om Drongen te bereiken. Het is bijgevolg omtrent een eeuw geleden dat het brugsken gelegen aan 't uiteinde van den Drongensteenweg, werd gelegd.
De kosten voor het leggen van dit brugsken werden gedekt door alwie er gebruik van maakten, en om hierin te slagen werd uitbating ervan als middel verkozen. Een woonhuizeken werd gebouwd derwijze dat de bewoner alle voorbijgangers kan zien afkomen van Drongen en van Gent ; daartoe was een kijkuit gemaakt uitgevend op de dreef en een ander uitgevend op de stad, zooals men heden nog kan zien. Deze uitbating werd heel waarschijnlijk in aanbesteding gelegd en liet de bewoner misschien wel de vrijheid handel te drijven ; zoo werd deze tolontvanger en gelijkertijd herbergier.
Het toltarief werd op officieele wijze gepenseeld op een bord door een ijzeren paal gedragen. Dien paal kan men heden nog vóór den gevel zien staan van 't Brughuizeken maar het bord is nu overschilderd door den naam van den tegenwoordigen huurder. De « hooge besturen » denken er niet aan dien paal weg te nemen.
Men kon op het bord eertijds lezen
TARIEF
per persoon : twee centiemen.
man en peerd : zes centiemen.
geleider van ledig voertuig : twaalf centiemen.
geleider van geladen vrachtwagen : vier en twintig centiemen.
Waren van deze betaling vrijgesteld : alle voertuigen geladen met aal, beer of mest. Dit was een eeuwenoud voorrecht waarop deze geleiders mochten aanspraak maken aan alle tollen van het Vlaamsche land en dat steunt op het feit der volgende legende « Eens was Keizer Karel naar den buiten gaan wandelen en had zich aldààr vrij lang opgehouden, toen hij een vierwielgespan ontmoette, dat naar de stad toog om meststof te gaan opladen. Hij vroeg aan den geleider hem te willen medevoeren en de man willigde Keizer Karel's verzoek in. Toen het gerij aan de Poort van de stad gekomen was, stapte Keizer Karel af, maakte zich bekend en verzekerde aan zijn gelegenheidsgeleider dat men voortaan geen tol meer zou te betalen hebben aan het octrooi voor vervoer van aal, beer of mest.
Deze maatregel werd later toegepast aan alle te betalen overzetplaatsen.
Dat er meer dan een list bestond om dit « bruggegeld » niet te moeten betalen, kan de lezer begrijpen. Indien de herbergier niet bijtijds den tol eischte, dierf de « passant » van « krommen aas gebaren » en voorbijgaan zonder de beurs te openen. Dit lukte zelden. Wij herinneren ons aangaande het volgende, verteld door een voerman.
Zekere Mandus lag in oneenigheid met den toenmaligen herbergbaas van « 't Brughuizeken ». In het vuur van een twist zei Mandus dat hij hem nog denzelfden dag eene poets zou gespeeld hebben en dit zeggend betaalde hij het bruggegeld : 2 centiemen. Gebruik makend van de onachtzaamheid van den herbergier. torschte hij een kleinen kwajongen op den linkerschouder, een anderen op den rechter, en nam dan nog twee kleuters onder de armen om het hazenpad te nemen over de brug. Vooraleer de herbergier van zijne verbazing was teruggekomen riep Mandus hem toe van den anderen oever dat hij alleen over de brug was gegaan !
Rond het jaar 1887 werd het bruggegeld aldaar afgeschaft. Het brugsken dat nog altijd bestaat maakt op dit oogenblik een gevaarlijken bocht voor het verkeer. Er is sprake de Drongendreef zooveel mogelijk op een rechte lijn te brengen met den Drongensteenweg van af de Rooigemlaan. Daartoe zou de steenweg opgeschoven worden naar links tot de plaats van den tegenwoordigen gracht, wat voor gevolg zou hebben het verleggen van het brugsken. Het spreekt van zelf dat de herberg «Het Brughuizeken » met zijne rolbaan en folkloristische herinneringen hierdoor geheel op het achterplan zou geraken, om ten slotte geheel uit de herinnering te verdwijnen.
Emile ANDELHOF.
Nota bij de Keizer Karel-legende.
Deze Keizer-Karel-legende of liever sage biedt de verklaring aan van een vrijstelling, die niet meer begrepen werd door stedelingen van vermoedelijk de 19de uw.
Het vervoer van mest (aal. beir) of « mestrijden » is van in de hooge middeleeuwen een «heerlijk» recht of een « heerendienst », met dien verstande dat de lijfeigenen verplicht waren jaarlijks een bepaalde hoeveelheid mest aan te voeren op de landerijen van hun heer. In later tijd werd deze verplichting «in natura» omgezet in een belasting in geld.
Dit was reeds zeker het geval voor de boeren in de omgeving van Gent in 1253, want in een oorkonde van de St. Baafsabdij, behelzende een « uitspraak van zegslieden » in een kwistgeding tusschen de St. Baafsabdij en haar schout, in zake hun wederzijdsche rechten en verplichtingen, heet het o.a. an de vetteme es scouteten recht iiii. sol alse lange mense neemt ende lietese dabt quite so ne haddere de scoutete niet an », het geen beteekent dat de schout, d.i. de rechterlijke politie-ambtenaar, recht heeft op 4 schellingen van de belasting op het «mestrijden » (vetten) per belastingschuldige, indien de abt van St. Baafs, die het « heerlijk » recht van het mestrijden uitoefent, de belasting int, zooniet krijgt de schout niets.
Het voortleven van het gebruik van het « mestrijden » in Hengelo (Gelderland) wierd nog onlangs door den bekenden N.-Nederlandschen folklorist D. J. Van der Ven in een plezierig stukje « Dank voor Stank bij Dominee » (Baarn, Bosch en Keuwing, Libellen-serie, 45 ct.) bestudeerd. Daarin toont hij aan dat het jaarlijksch aanbrengen van mest bij den Dominee de voortzetting is van een oude agrarische traditie, thans echter een volkomen vrijwillige belasting, waar het vroeger harde verplichting was. Het essay, dat een lofzang behelst op de mest en derzelver levenskrachtige eigenschappen, is een geestrijke paraphrase op het vers van Constantijn Huygens « De mest en is geen heiligheit, Maar doet mirakel waer ze leit. »
Dat de mest een waardevol artikel is voor den boer spreekt van zelf voor al diegenen die verstand hebben van land- en hofbouw. Het zou echter moeilijk zijn uit de folkloristische gegevens (vruchtbaarheidssymbole) de vrijstelling van tol te verklaren. waarvan hierboven spraak is. De vrijstelling vloeit in laatste instantie voort uit het « heerlijk » recht, dat als zoodanig in de herinnering van de landelijke bevolking is blijven voortleven, wel te verstaan indien de vrijstelling inderdaad algemeen zou blijken te zijn.
Het kon immers gebeuren dat de vrijstelling slechts zou gelden in de nabijheid van steden.
Aldaar zou de vrijstelling in stand kunnen gebleven zijn om de « beirruimers », die vroeger algemeen van den buiten kwamen (« beirboeren »), vooraleer een ordentelijke « Ruimdienst » in de steden was ingericht, aan te moedigen, hun waar met een minimum van vervoerkosten uit de stad te brengen.
Naar onze bescheiden meening zal deze laatste overweging veel gewicht in de schaal hebben gelegd bij de vrijstelling aan het Drongensch Brughuizeken, dat immers uit de 19° eeuw dagteekent.
Er valt dus te onderzoeken of de vrijstelling van het « mestrijden », waarvan spraak in het artikel van onzen getrouwen medewerker E. Andelhof wel zoo algemeen is in Vlaanderen als zijn Keizer Karel-sage zou doen vermoeden.
In dat geval hebben we zonder twijfel met een « survival » van het « heerlijk » mestrijden te doen.
P. D. K.